Etiam veroeros dolor
in staat, straat en kerk
Tom Maas
Voorzitter van de Haagse Raad voor Levensbeschouwingen en Religies
Lid Soefi Centrum Den Haag
Achter discussies over minaretten, hoofddoekjes en handenschudden schuilt een strijd over de plaats van religie in de samenleving en wie de baas is op straat. Wonderlijk hoe uitersten elkaar daarin vinden, ‘moslim-bashers’ van de PVV naast ‘verlichte’ liberalen die neutraliteit in het publieke domein voorstaan, schoorvoetend gevolgd door socialisten. Nog wonderlijker is de gretigheid waarmee zij vrijheid en diversiteit willen opofferen voor uniformering. Met de gemeenteraadsverkiezingen op til komen de tegenstellingen op scherp te staan. Nu komt het erop aan om andere wegen te wijzen. Omarm het sociale en culturele kapitaal van variatie. Niet de gemakkelijkste weg, een avontuur zelfs, maar de enig vruchtbare. Alleen politici die dit avontuur aandurven verdienen onze steun.
Wat begon als kritiek op ‘achterlijkheid’ van de islam, heeft zich uitgebreid tot kritiek op religie in het algemeen en pogingen alle uitingen ervan terug te dringen uit het publieke domein. Iedereen mag belijden wat die wil, maar dan wel achter de eigen voordeur, is kort gezegd de teneur. De Amsterdamse gemeenteraad zette ineens vraagtekens bij subsidies aan instellingen zoals het Leger des Heils, die al decennia lang een belangrijke rol vervullen in het maatschappelijk werk. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen zien we dat in tal van plaatsen politici van vrijwel alle partijen onder het motto van ‘scheiding van kerk en staat’ proberen zoveel mogelijk afstand te bewaren tot dit soort heikele kwesties. Aan religie wil men zich niet branden.
Al die heibel over hoofddoeken, klokgelui, minaretten en handen schudden is niet bij voorbaat negatief. De samenleving verandert dus is voorstelbaar dat we oude arrangementen moeten herijken. Maar het is wel een vreemd rijtje onderwerpen. Hoe kunnen we latere generaties ooit uitleggen dat we hierover hooglopende debatten voerden? Dat lukt alleen als we inzien dat het stuk voor stuk krachtige symbolen zijn, die werken als katalysator in een machtstrijd zonder weerga. Inzet is, wie de baas is op straat.
Want meer nog dan om de scheiding van kerk en staat, gaat de strijd om scheiding van kerk en straat. De inzet is welke overtuigingen je voor je dient te houden en welke mogen prevaleren in de publieke ruimte. Daarmee is de inzet eigenlijk, welk soort samenleving we willen. Het is tragisch dat religieuze organisaties in die strijd als verdachten worden gemarginaliseerd en daarmee ook de bijdrage die zij leveren aan de samenleving. Die bestaat uit oneindig veel kleine, lokale activiteiten, die cement zijn voor de samenleving. Juist vanwege dit lokale karakter zijn de komende gemeenteraadsverkiezingen beslissend – blijven politici angstvallig op afstand of grijpen zij de kans om dit sociale en culturele kapitaal productief te maken?
De bescheiden staat
De vrees van politici om zich in te laten met activiteiten van levensbeschouwelijke organisaties is onnodig. In Nederland bestaat scheiding van kerk en staat in die zin, dat de overheid geen overtuiging voortrekt en zich niet mengt in kerkelijke aangelegenheden, omgekeerd hebben religieuze organisaties geen formele positie binnen de overheid. Een helder uitgangspunt. Wat betreft de activiteiten van die organisaties is een pragmatische praktijk gegroeid met typisch Nederlandse trekjes, zoals nogal wat ruimte voor meningen die afwijken van het gemiddelde en praktijken die oogluikend gedoogd worden. De staat speelt een relatief bescheiden rol; het zijn vooral krachten en groeperingen van onderop die de samenleving vormen.
Die speelruimte is heel verklaarbaar voor een volk dat de belangrijkste delta van Noordwest-Europa bewoont en voor zijn welvaart afhankelijk is van handel. Het is hier altijd een komen en gaan geweest van mensen van allerlei slag. We hebben als samenleving geleerd daarvan te profiteren in alle opzichten: sociaal, cultureel en economisch. We schrijven ons eigen doodvonnis als we ons daarvan afsnijden. Toch willen velen nu een radicale ommezwaai. Ze veroordelen pragmatisme als slappe knieën beleid en willen een geheel andere traditie overnemen, het Franse model van scheiding van kerk en staat. Centraal staat dat de publieke ruimte neutraal zou moeten zijn. We hebben ons er neutraal in te gedragen. On-Nederlands is de dominante rol die de staat daarbij krijgt om te bepalen wat gepast is en wat niet.
Neutraliteit is dubieus
Bij deze draai zijn twee kanttekeningen te plaatsen. Het willen terugdringen van uitingen van religies is gebaseerd op het merkwaardige misverstand dat levensbeschouwelijke overtuigingen zoiets zouden zijn als een jas, die je naar believen kunt uittrekken en thuislaten. Kenmerk is echter dat ze het leven als gehéél doortrekken. Het is leven op een bepaalde wijze. Leven, beleven en uitleven vallen samen. Vergelijk het met karakters - niemand zal van je eisen dat je je karakter maar achter de voordeur laat. Of is de volgende stap dat niet alleen religieuze symbolen maar opzichtige kleding, excentrieke haardracht of karakteristieke accessoires ook verboden worden?
Het tweede punt is de vraag of er zoiets als neutraliteit bestaat. De bepleite neutraliteit wordt veelal gerelateerd aan de rationaliteit van de Verlichting. Wie zijn verstand gebruikt kan het juiste onderscheid maken. Verbazingwekkend is hoe aan deze opvatting een universele geldigheid wordt toegekend waarbij menige religieuze pretentie bleekjes afsteekt. Alleen deze ‘neutraliteit’ zou buiten discussie staan en op straat tot uiting mogen komen. Alsof deze opvatting de enige reële is, en de rest bijgeloof en fictie.
Maar er bestaat niet een dergelijk Archimedisch punt buiten de kluwen aan interacties waarin we met ons allen verwikkeld zijn. Ook rationaliteit is een bepaalde opvatting van wat dominant moet zijn in leven en samenleven, een levensbeschouwing dus. Geen enkele opvatting van wat wel en niet gepast is kan zich aan twijfel of amendering onttrekken. Niemand kan claimen dat zijn visie de enige juiste is.
Democratie is ruimte bieden aan verschillen
Wij moeten leven met verschillen. Zeker in deze tijd waarin culturen elkaar dichter op de huid zitten dan ooit, is dat geen gemakkelijke opgave. Temeer daar het leven in veel opzichten grimmiger is geworden. Toch zullen we moeten proberen er samen het beste van te maken.
We hoeven niet bij nul te beginnen. De Nederlandse praktijk van samenleven heeft geresulteerd in een grootste gemene deler van wat we zo ongeveer met z’n allen acceptabel vinden en wat niet. Het straatbeeld is daarvan een afspiegeling. Het hoeft geen betoog dat deze democratie altijd een kwestie van duwen en trekken is geweest, van minderheden die hun plaatsje onder de zon opeisten en meerderheden die niet zonder slag of stoot daaraan toegaven. Schuilkerken en coffeeshops getuigen daarvan. Ook nu is dat gaande en voor dat soort discussies moeten we niet wegvluchten.
Democratie is niet voor angsthazen.
Maar ook niet voor dictatortjes. In Nederland heeft de democratische cultuur zich ontwikkeld tot een variant waarin het onacceptabel wordt gevonden dat de helft-plus-één zijn wil oplegt. In plaats daarvan is vrijwel altijd sprake van zoeken naar groter draagvlak en ruimte voor afwijkingen.
Democratie in onze contreien wordt opgevat als een middel om recht te doen aan minderheden en iedereen een maximum aan vrijheid te geven.
Dat is een kostbaar goed. Wie pleit voor uitbanning van levensbeschouwing uit het publiek domein, wie pleit voor dominantie van één levensbeschouwing, wisselt deze genuanceerde en liberale vorm van democratie in voor het dictaat van de meerderheid. Uniformering neemt dan de plaats in van vrijheid. Variaties worden onzichtbaar gemaakt. Om het scherp te stellen: waar de helft-plus-één beslist, is sprake van regimentering – loop niet uit de pas, toon geen symboliek die niet is goedgekeurd, want dan grijpen machthebbers in. Een heilloze weg die we niet moeten inslaan, al is stoere praat nog zo verleidelijk. Er zijn betere wegen naar de toekomst.
Kapitaal in de waagschaal
Leven met diversiteit kan ook een bron van ontwikkeling en welvaart zijn. Nederland heeft in vorige eeuwen cultuurverschillen productief gemaakt door in het overheidshandelen praktische wijsheid en pragmatisme te laten prevaleren boven het doordrijven van principes. Wat kan of niet, is afhankelijk van moment, plaats en omstandigheden. We zien deze traditie in optima forma terug in het ‘Tweeluik Religie en Publiek Domein’, waarin de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Binnenlandse Zaken handvatten bieden voor beslissingen over zulke halszaken als subsidie voor huiswerkbegeleiding in een moskee, of begeleiding van ex-criminelen door een organisatie op christelijke grondslag. Wat kan of niet moet bij voorkeur in zijn context worden beoordeeld. Zijn er alternatieven? Worden aantoonbare resultaten geboekt? Wegen de voordelen op tegen de nadelen?
Wie gruwt van deze nuance en een duidelijke streep wil trekken, streept meer weg dan gewenst is.
Veel van de initiatieven vanuit levensbeschouwelijke hoek dragen aantoonbaar bij aan de kwaliteit van de samenleving. Met name vrijwilligerswerk bespaart de overheid domweg een hoop geld. Zie de recente onderzoeken hiernaar van Oikos (‘Moskeeën gewaardeerd’) en naar kerken in Rotterdam (‘Tel je zegeningen’). Dat laatste onderzoek concludeert dat de inzet van kerken de Rotterdamse overheid jaarlijks ruim 110 miljoen euro bespaart op het gebied van maatschappelijke zorg en hulpverlening. Oikos schat dat moskeeën voor zo’n 150 miljoen euro bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Afgelopen maand heeft het Kaski in het onderzoek ‘De kerk telt’ becijferd dat christelijke kerken met hun sociale en culturele activiteiten landelijk een bijdrage leveren ter waarde van 400 miljoen euro. Grofweg 130.000 vrijwilligers zijn daarbij actief en alleen al door openstelling van hun gebouwen voor concerten en festivals bedienen ze jaarlijks een publiek van meer dan een miljoen mensen.
We moeten ons goed realiseren dat samenlevingen niet gevormd worden door oekazes van de staat maar door dit soort betrokkenheid van burgers. Dit is het cement van de samenleving, het kapitaal waarop welvaart en welzijn kunnen bloeien. Gemeenteraadsleden zouden het moeten omarmen en alle groeperingen moeten stimuleren om het kapitaal productief te maken.
Pleidooi voor variatie en durf
De angsthazerij van de (kandidaat)politici om liever niet kerken en moskeeën te prijzen voor hun inzet en nog minder om ze te stimuleren, is natuurlijk niet geheel onbegrijpelijk. Er zijn onmiskenbaar grote problemen in onze samenleving die vragen om bijstelling van onze koers. We hebben te maken met ver uiteenlopende levensstijlen die elkaar soms hevig in de weg zitten, vormen van overlast, criminaliteit en (straat)terreur die niet los kunnen worden gezien van culturele verschillen. Maar we slaan de verkeerde weg in als we nu kiezen voor terugdringen van uitingen van religies, voor restricties en uniformering onder het mom van neutraliteit. Het is kapitaal verkwanselen als we geen oog meer hebben voor de maatschappelijke waarde van variaties in overtuigingen en culturen. Het hele idioom van terugdringen, uitsluiten, polarisatie, het willen vastpinnen van één nationale identiteit en steeds hardere taal is niet constructief. Het doet wat het zegt: afstand scheppen en
ontwikkelingen inperken. Het biedt geen perspectief op opbouw en het benutten van de dynamiek van verandering en diversiteit. Het is een doodlopende weg.
Op de keper beschouwd is het ook vreemd hoe sommige groepen nu ineens hechten aan eenvormigheid, terwijl op vrijwel elk vlak diversiteit en variatie gewenst is. Welke steden blijken het meest kwetsbaar in de huidige crisis? Die met de minste variatie aan werkgelegenheid. Waarom hechten we aan biodiversiteit? Omdat onze aarde inclusief de menselijke soort daarmee de grootste kansen op overleven heeft. Monoculturen zijn niet duurzaam. Eenvormigheid loopt uit op verstarring. Toch sturen sommigen daarop nu welbewust aan door marginalisering te eisen van afwijkende uitingen in het publieke domein.
In plaats van maatschappelijke diversiteit te temmen, zouden we die moeten gebruiken als bron van vitaliteit en veerkracht. Dat is niet de gemakkelijkste weg. Om op die manier de samenleving te ontwikkelen vergt durf. Het is een avontuur dat constant kritische aandacht vergt en betrokkenheid van alle partijen. Succes komt niet vanzelf. Maar het is de enige weg waarlangs duurzame verdere ontwikkeling mogelijk is. Een weg die alleen te begaan is met een open uitwisseling van alle mogelijke ideeën, beelden en symbolen - juist in het publieke domein. Alleen die politici die de moed hebben dit avontuur aan te gaan, verdienen onze steun.
De auteur is voorzitter van de Haagse Raad voor Levensbeschouwingen en Religies
waarin vertegenwoordigers van Bahá’i, Boeddhisme, Brahma Kumaris, Christelijke kerken, Hindoes, Humanisten, Joden, Moslims en Soefi’s werken aan onderling begrip en versterking van burgerschap in Den Haag, onder andere op basis van de ‘Haagse Verklaring inzake de vrijheid van religie en levensbeschouwing’.
In deze Raad vertegenwoordigt de auteur het Soefi Centrum Den Haag